Het opleidingsplan van de ROWF
Opleiden in de school
Het opleiden in de school betekent voor jou als student concreet: leren in, over en voor de praktijk om leraar te worden. Bij het opleiden in de school onderscheiden we verschillende typen van leeractiviteiten, die je in een leerplan zet. Al deze activiteiten bereid je voor op je school en het instituut. Ze krijgen vervolgens vorm in de opleidingsschool. Bij de uitvoering van deze activiteiten word je in de school begeleid door begeleiders/opleiders uit de school èn vanuit het instituut.
Voor je leerplan betekent dit dat er, behalve voor het ' wat', ' hoe', ' wanneer' en 'waarom' van de verschillende leeractiviteiten ook aandacht is voor het 'waar' van de leeractiviteiten èn voor de samenhang tussen de activiteiten op de school, regionaal en op het instituut. Op deze manier ontstaat een betekenisvolle leeromgeving waarbinnen een directe koppeling plaatsvindt tussen theorie en praktijk die aansluit bij de (leer)fase waarin je je als student bevindt èn waarbinnen voorbeeldgedrag ten aanzien van leren (voor)gespiegeld wordt.
Leeractiviteiten van de student
De verschillende leeractiviteiten hebben de vorm van opdrachten (leertaken) die op hun beurt verschillende vormen kunnen hebben. Deze opdrachten vormen de rode draad van je gehele leerwerktraject op school. Er is samenhang en afstemming tussen de verschillende typen opdrachten met het curriculum van de opleiding.
Begeleiding
De begeleiding bestaat uit het gezamenlijk voorbereiden van de (leer)activiteiten, het bewust ‘modellen’ (hierbij treedt de opleider/begeleider bewust op als rolmodel voor de student), het geven van feedback en bieden van morele steun.
Deze activiteiten kun je vergelijken met het traditionele stagelopen, zij het dat ze minder worden aangestuurd (m.b.v. opdrachten) vanuit de opleiding en meer vanuit de eisen van het werk. De taken die je uitvoert gaan in de loop van je opleiding steeds meer lijken op die van de docent en de eventuele opdrachten die sturing kunnen geven aan het handelen, worden steeds opener. De manier van begeleiden en de inhoud van de begeleiding is direct verbonden met het werk als docent. De begeleiding is hierbij meestal individueel en wordt gegeven door de vakbegeleider die ook werkbegeleider is.
De schoolopleider zorgt ervoor dat het opdoen van deze ervaringen past bij jouw ontwikkelingsstadium. Dat wil zeggen dat er sprake is van een opbouw in moeilijkheid en complexiteit.
Leerwerktaken
Bij leerwerktaken gaat het om jouw leerproces èn om een nuttige opbrengst voor de school. Het formuleren van een leerwerktaak start dan ook vaak bij een vraag of behoefte van de school. Zo'n taak is schoolspecifiek en wordt vastgesteld in overleg tussen jou, de school en de opleiding.
Een leerwerktaak kan bestaan uit een aantal kleinere, samenhangende opdrachten. De uiteindelijke formulering van de leerwerktaak is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van jou en je begeleider.
Bij het uitvoeren van je opdracht(en) word je in de dagelijkse praktijk begeleid door de werkbegeleider/vakbegeleider, een schoolopleider en (eventueel) een instituutsopleider. Bij de begeleiding wordt veel aandacht besteed aan het op maat maken van de leerwerktaak, zodat die bij jou past en aansluit bij je POP. Ook de steun bij de reflectie op het eigen handelen en de ontwikkeling daarvan speelt een belangrijke rol.
In de school werk je aan een groot en divers aantal leerwerktaken. Hiermee kan je als leraar in opleiding op school werken aan het verwerven van de zgn. SBL-bekwaamheden of aspecten daarvan (Stichting Beroepskwaliteit Leraren, zie: www.lerarenweb.nl/lerarenwebsbl.html).
De bekwaamheidseisen zijn in de wet BIO (wet Beroepen in het Onderwijs) uitgewerkt op twee niveaus, namelijk startbekwaamheid (het niveau waaraan een beginnende docent moet voldoen) en op excellent (gevorderd) niveau. Voor opleidingsdoelen heeft de HvA hier twee competentieniveaus aan toegevoegd, namelijk niveau 1, hoofdfasebekwaam en niveau 2, afstudeerbekwaam (ook wel LiO-bekwaam genoemd). Binnen je opleiding heb je dus te maken met drie niveaus:
- niveau 1: hoofdfasebekwaam (door de opleiding geformuleerd)
- niveau 2: afstudeerbekwaam (door de opleiding geformuleerd)
- niveau 3: startbekwaam (op basis van de wet BIO)
Meer hierover lees je in de handleiding werkplekleren (pag. 42 e.v.).
Leren reflecteren
Reflecteren vindt plaats in de gesprekken met de werkbegeleider en ook in de vorm van intervisiebijeenkomsten. Tijdens deze bijeenkomsten wordt er specifiek aandacht geschonken aan de ontwikkeling van reflectievaardigheden en de verbinding met concrete aandachtspunten voor het leren en werken van de individuele student. De basis hiervoor zijn je ervaringen op de werkplek. Ook is er aandacht voor de wederzijdse ondersteuning van dit reflectieproces en de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van collegiale ondersteuning en op het samen leren.
Uitvoeren van praktijkonderzoek
Samen met docenten werk je in de school aan opdrachten die gericht zijn op het (leren doen van) onderzoek van de eigen praktijk. De begeleiding vindt plaats vanuit het instituut en de school.
De basis voor deze activiteiten vormt de onderzoekslijn of -opdracht die door de instituten geformuleerd is. De opbrengst van het onderzoek moet bijdragen aan het leren van jou als student en aan de ontwikkeling van de deelnemende docenten en/of de school. In dit kader kun je ingezet worden bij (ver)nieuwe(nde) of op bredere ontwikkeling gerichte activiteiten in de school.
Klinische lessen
Onder klinische lessen verstaan we de gezamenlijke activiteiten van studenten met opleiders, begeleiders en docenten die gericht zijn op informatie over of aansluiten op nieuwe ontwikkelingen (m.b.t. onderwijskundige en didactische thema’s). Klinische lessen bereid je (al dan niet samen met docenten) voor op eigen initiatief, op basis van vragen vanuit de school of op basis van suggesties vanuit het instituut.
Samenhang tussen leerplan op school en instituut
De intensieve samenwerking tussen schoolopleiders, instituutsopleiders, werkbegeleiders en vakdocenten maakt dat in toenemende mate duidelijk wordt wat en hoe je leert op school en op het instituut. Hierdoor kunnen de leeractiviteiten die je worden aangeboden op het instituut steeds beter afgestemd worden op de leermogelijkheden binnen de school en andersom. Daardoor wordt de opleiding uiteindelijk flexibeler en afgestemd op jouw leerbehoeften en de opleidingsmogelijkheden van de opleidingsschool.
Het competentiegericht opleiden vindt in de HvA plaats in een model dat rust op vier pijlers:
1. Vak: de inhoud van het schoolvak, maar ook de didactische vaardigheid in het vak.
2. Algemene Beroepsvoorbereiding (ABV): onderwijskundige en pedagogische onderwerpen.
3. Werkplekleren (WPL): leren in de onderwijspraktijk, ondersteund vanuit de opleiding.
4. Metawerk: werken aan de groei tot competent leraar en aan het vermogen tot reflecteren op dat leraarschap. Centraal in dit ontwikkelingsproces staat het Persoonlijk Ontwikkelingsplan (POP).
Naar hoofdstuk 1: Leerwerktraject.
Naar hoofdstuk 3: Begeleiding en beoordeling.
Terug naar startpagina handboek voor studenten.
