Begeleiding en beoordeling
Algemeen
Op hoofdlijnen is de begeleiding van de studenten op alle aangesloten opleidingsscholen op dezelfde manier georganiseerd. Er kunnen echter (kleine) verschillen zijn tussen de scholen voor wat betreft de concrete invulling van de begeleiding.
De begeleiders
Bij de begeleiding zijn vier categorieën begeleiders betrokken met ieder hun specifieke taak:
- instituutsopleiders
- schoolopleiders
- werkbegeleiders
- vakbegeleiders
De instituutsopleider is de contactpersoon tussen het opleidingsinstituut en de opleidingsschool en heeft zicht op hoe de studenten zich als studerenden ontwikkelen.
Direct na plaatsing op een school moet de student zich melden bij de instituutsopleider. De instituutsopleider werkt nauw samen met de schoolopleider en samen zijn ze verantwoordelijk voor de inhoud en de organisatie van het werkplekleren op de school. De instituutsopleider heeft gedurende het leerwerktraject van de student enkele keren contact met jou over het lesbezoek, de voortgang, de tussenevaluatie en de beoordeling. Het initiatief voor dit contact kan van jou uitgaan of van de instituustopleider. Hoewel de instituutsopleider eindverantwoordelijk is voor de beoordeling, komt deze tot stand in nauwe samenwerking jou en met de schoolopleider. De namen van de instituutsopleiders vind je hier. (http://www.rowf.nl/page/view/name/169-school-en-instituutsopleiders)
De schoolopleider is op de opleidingsschool een medewerker van de school, die samen met de instituutsopleider verantwoordelijk is voor inhoud en organisatie van het opleiden in de school. Hij begeleidt de student 'op afstand'. De dagelijkse begeleiding is jouw verantwoordelijkheid als werkbegeleider.
De schoolopleider organiseert themabijeenkomsten en intervisies voor de geformeerde schoolgroep.
Kijk hier voor de namen van de schoolopleiders. (http://www.rowf.nl/page/view/name/169-school-en-instituutsopleiders)
Als werkbegeleider (coach) verzorg je de inhoudelijke, dagelijkse begeleiding van de student bij het werkplekleren. Je bent het eerste aanspreekpunt voor de student, maakt hem wegwijs binnen je school, voert voortgangsgesprekken, maakt afspraken over de uit te voeren activiteiten, woont lessen of andere activiteiten bij en bespreekt deze. Verder heb je een belangrijke inbreng bij de tussen- en eindbeoordeling van de student.
Op je school introduceer je de student binnen de vaksectie. Je biedt hem de gelegenheid om lessen te observeren en te geven, je zorgt ervoor dat hij over alle relevante leermiddelen beschikt, informeert hem over de onderwijsvisie binnen je school, observeert lessen, bespreekt die voor en na, helpt met het formuleren van de leerwensen van de student en helpt bij het integreren van theorie en praktijk. Je hebt regelmatig contact met de instituutsopleider en/of vakdidacticus van het instituut.
Soms wordt er op een school naast de werkbegeleider nog een vakbegeleider aangesteld. Dit is het geval, wanneer de student in een ander dan jouw vakgebied werkt. De vakbegeleider biedt de student een oriëntatie op het vakdidactisch denken, de ontwikkelingen in de vakdidactiek en de vakdidactische bronnen.
Het begeleidingsprogramma
De mate van begeleiding verschilt per leerjaar. Naarmate de studie vordert, verdwijnt de begeleiding die jij en anderen bieden, steeds meer naar de achtergrond ('op afstand'). In het vierde jaar geeft een student zelfstandig les en functioneert hij als volwaardig lid van de school.
Eerste jaar
In het eerste jaar zal de student vooral te maken krijgen met de schoolopleider en in mindere mate met jou, als werkbegeleider. In leerjaar twee en drie is het juist min of meer omgekeerd en ben jij als werkbegeleider de belangrijkste begeleider.
Tweedegraads studenten in het vierde leerjaar en eerstegraders zullen in de begeleiding veelal te maken hebben met jou en de schoolopleider. In alle studiejaren is de instituutsopleider de begeleider 'op afstand'.
Leerjaar 2
In leerjaar 2 zal de nadruk van de leeractiviteiten van de student liggen op het ontwerpen en uitvoeren van lessen met een toenemende variatie in werkvormen en de daarbij horende organisatie van het klassenmanagement. In jaar 3 zal zijn aandacht meer gericht zijn op het meer oog krijgen voor individuele leerlingen en het didactisch en pedagogisch inspelen op hun behoeften en verschillen.
De afstudeerfase, leerjaar 4 (tweedegraads) en eerstegraads
In de afstudeerfase fungeert de student als Leraar in Opleiding (LiO). Het werkplekleren in deze fase wordt daarom meestal LiO-traject genoemd. Het algemene doel van dit traject is dat hij leert om zelfstandig als docent te functioneren. Hij verzorgt zelf het onderwijs in 'eigen' klassen, bouwt een band op met ‘zijn’ leerlingen en draait mee als volwaardig teamlid in de school. In deze fase wordt de student weliswaar nog begeleid, maar meer op afstand. Hij werkt zelfstandig met zijn 'eigen' klassen.
Als werkbegeleider bezoek je incidenteel lessen (en bespreek je de lessen na). Ook heb je wekelijks een voortgangsbespreking met de student. De de instituutsopleider werkt ook (nog) meer op afstand en geeft feedback op het materiaal dat de student hem voorlegt. Daarnaast bezoekt hij één of enkele lessen van de student. Samen met jou voert de intituutsbegeleider het startgesprek, de tussenevaluatie en het eindgesprek met de student.
Tijdens deze studiefase werkt de student aan zijn onderzoeksvaardigheden, waar elk opleidingsinstituut op zijn eigen manier mee omgaat. Verder werkt hij aan zijn ontwerpvaardigheden en - afhankelijk van het opleidingsinstituut - aan een afstudeerproduct, profielproduct of praktijkonderzoek.
Beoordeling
Bij competentiegericht opleiden hoort competentiegericht beoordelen Dat betekent dat de student zelf verantwoordelijk is voor het verwerven van competenties èn het aantonen van een behaald niveau van competentie. Bewijzen legt hij vast in zijn portfolio. Halverwege ieder leerwerktraject vindt een tussenevaluatie plaats en aan het eind een beoordeling. In beide gevallen vindt een gesprek plaats tussen jou en de student.
De eindbeoordeling wordt vastgesteld in het eindgesprek. Hierin heb je als werkbegeleider een belangrijke stem in het eindoordeel, wat ook geldt voor de student. De formele eindverantwoordelijkheid voor de beoordeling ligt bij de instituutsopleider, die de beoordeling opstelt na raadpleging van jou en de schoolopleider.
Voor deze beoordeling moet gebruik worden gemaakt van het beoordelingsformulier dat gedownload kan worden van de site van de HvA. Een toelichting vind je ook op de site van de HvA.
Verslaglegging
De werkbegeleider doet minimaal één keer per jaar verslag van zijn activiteiten aan de schoolopleider en eventueel de teamleider, afhankelijk van de afspraken op school.
De schoolopleider legt brengt minimaal één keer per verslag uit aan de portefeuillehouder Oplis en zijn teamleider, afhankelijk van de afspraken op de school.
Reflectie
Minimaal één keer per jaar bespreek je, afhankelijk van de afspraken op de school met de schoolopleider en/of met de teamleider, hoe je als werkbegeleider het afgelopen jaar hebt gefunctioneerd en hoe je je verder wilt professionaliseren, hierbij komen vragen aan de orde als: voel ik me competent en heb ik behoefte aan ondersteuning?
Verantwoording
Als werkbegeleider leg je één keer per jaar verantwoording af aan je leidinggevende over je activiteiten. De schoolopleider legt ook één keer per jaar verantwoording af aan zijn leidinggevende.
Naar hoofdstuk 1: Intake en inbedding.
Naar hoofdstuk 2: Opleidingsplan ROWF.
